3 september 2014

Samen de schouders eronder

Allen die hier nog als vreemdeling verblijven, waar ze zich ook mogen bevinden, dienen van hun medeburgers ondersteuning te krijgen in de vorm van zilver, goud, goederen en vee. Dit komt boven op de vrijwillige gaven voor de tempel van de God die in Jeruzalem woont.’
(Ezra 1: 4)

Soms krijgt een Bijbelvers een bijzondere betekenis. De bovenstaande tekst van de profeet Ezra deed me sterk denken aan de inzet van onze gemeenteleden voor de vreemdelingen, die een tijdlang onder onze vleugels geschuild hebben. Veel gemeenteleden hebben hen ondersteund met wat men ook maar te bieden had; simpelweg omdat het moest.

Voedsel in natura, kleding, geld, aandacht en inzet: het was er allemaal. De leniging van de zichtbare directe nood die zich aan ons voordeed, werd niet in mindering gebracht op de inspanning die er toch al voor de kerk geleverd werd: de opbouw van de kerk via bijvoorbeeld de vrijwillige bijdrage. Ik was en ben – want dat gevoel gloeit nog lang na – trots op onze gemeenschap! Iemand zei tegen me dat er het goede gevoel was van dat je weer weet waarom we met elkaar christenen zijn. We maakten misschien een klein beetje waar wat de profeet Ezra bedoelde. Uiteindelijk waren ‘onze’ vreemdelingen zelfs geen vreemdelingen meer, maar mensen die er bij horen.

Maar we moeten misschien wat voorzichtig zijn om ons deze tekst toe te eigenen. Aan het woord in dit Bijbelcitaat is iemand anders dan we zouden vermoeden. Het is namelijk de Perzische koning Cyrus. Ezra citeert Cyrus in de eerste vier verzen van zijn boekrol, en hij legt in dat citaat een verbinding met de laatste verzen van het boek 2 Kronieken; zie in uw Bijbel op de bladzijde direct vóór Ezra. Niet het specifieke zinnetje dat hierboven staat vindt u daar terug, maar wel de eerste drie verzen van Ezra 1 (= 2 Kronieken 36:22,23; het slot van dat Bijbelboek).

Ezra pakt daarmee symbolisch de doorgaande draad van de geschiedenis op. Dat is de geschiedenis van ballingschap. De profeet Ezra en de profeet Nehemia leven in die tijd en ze horen bij elkaar. Bijbelwetenschappers gaan er vanuit dat er in feite één boekrol ‘Ezra-Nehemia’ is. Die boekrol bespreekt de terugkeer van de mensen die in Babylonië in ballingschap verkeerden, naar hun oorspronkelijke hoofdstad Jeruzalem. Het is het jaar 538 vóór onze jaartelling. Het Perzische rijk kent zijn grootste uitbreiding en koning Cyrus is in Babel aan de macht. Deze koning is een uitzondering in de reeks gewelddadige en onderdrukkende machthebbers waar de Israëlieten onder geleden hebben.

In de verhalen over de ballingschap wordt Cyrus geschetst als de door God gegeven goede koning die, hoewel hij de God van de Israëlieten persoonlijk niet kende, toch de opdracht van God verstond en de terugkeer naar Jeruzalem mogelijk maakte. Hij voerde niet alleen ten opzichte van de Israëlieten, maar van alle andere volken, die overwonnen waren, een humaan beleid. Het is eigenlijk een anachronisme om het zo te duiden, maar Cyrus stond voor godsdienstvrijheid.
De oproep tot terugkeer was voor de ballingen zelf meteen ook een opgave. Ezra vertelt:

‘De familiehoofden van de stammen Juda en Benjamin, de priesters en de Levieten, allen die God daartoe aanzette, maakten zich gereed om naar Jeruzalem te vertrekken en te beginnen met de bouw van de tempel van de Heer. Al hun buren ondersteunden hen met voorwerpen van zilver en goud, met goederen, vee en kostbare geschenken, nog afgezien van wat vrijwillig aangeboden werd.’
(Ezra 1:5,6)

De vreemdelingen waarover gesproken wordt in Esra 1:4, zijn Israëlieten die in Babylonië vreemdeling zijn. De bedoeling van de oproep aan die vreemdelingen is duidelijk:

‘Ga op reis en geef ieder ander ook de gelegenheid om die reis te maken. Laat wat het kost niet in mindering komen op de bijdrage die je sowieso al wilde geven aan de opbouw van de nieuwe tempel. Zo trekken we samen op naar het land dat ook in tweede instantie het ‘beloofde land’ mag zijn. Op weg naar ‘Jerusjalaim’, de stad van de vrede, nemen we iedereen mee. Ook zij die hulp behoeven. Het reisdoel is een van-harte-gegunde vrede. En we gaan op weg in de hoop dat die bestemming iedereen ten goede komt.’

We ontdekken dan misschien nog een andere actuele betekenis in deze tekst: de ontspanning die ooit aan bannelingen gegund is, mag hopelijk ook in onze tijd een oproep zijn om echt vrede te zoeken in het Midden-Oosten. Er wordt ook van ons opnieuw gevraagd om een tempel van vrede op te richten, en te proberen te herstellen wat stuk gegaan is onder de mensen. Dat ontslaat ons ondertussen niet om aandacht te hebben voor de vreemdelingen en de armen die we altijd bij ons hebben (Deutr. 15:11, Mat. 26:11, Marcus 14:7, Joh. 12:8).

ds. Anne Kooi

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Taizé-ontmoeting

Taizé-ontmoeting: 11 november in de Museumkerk