3 mei 2017

De redder

In de geschiedenis van het Joodse volk hebben Judas de Makkabeeër en zijn broers een rol gespeeld die tot op de dag van vandaag binnen en buiten Israël tot de verbeelding spreekt. Niet voor niets zijn Joodse sportverenigingen, op veel plaatsen in de wereld, naar deze ‘Maccabi’ genoemd.

De Makkabeeërs hebben in de tweede eeuw voor Christus met veel moed en strijd hun land heroverd op buitenlandse koningen en mogendheden. Ze hebben gevochten voor de soevereiniteit van hun land en bovenal voor de vrijheid van hun godsdienst. Ze hebben voor die vrijheid een hoge prijs betaald, want de een na de ander kwam om in de strijd, maar tegelijkertijd hebben ze hun volk van overwinning naar overwinning gevoerd. De eer van volkshelden en vrijheidsstrijders komt hun zeker toe!

Judas, natuurlijk niet te verwarren met Judas Iskariot, geldt als de grootste van deze opkomende dynastie. Hij is de hoofdpersoon van de boeken 1 en zeker 2 Makkabeeën. Eigenlijk is hij de derde zoon van zijn vader Mattatias, maar bij diens dood is hij als opvolger aangewezen:

“Judas Makkabeüs is van jongs af aan de sterkste geweest. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de vreemde volken leiden.”

De verhalen over zijn oorlogen hebben als hoogtepunt de bevrijding en de zuivering van de tempel in 165 v. Chr. Het Joods Chanoeka gaat terug op die gebeurtenis en op wonderverhalen die daar later aan gekoppeld zijn.

Als legeraanvoerder zal Judas in het jaar 160 v. Chr. midden in een heldhaftige aanval komen te overlijden. Groot is het verdriet in heel Israël:

“Ach, dat de held heeft kunnen sneuvelen, de redder van Israël.”

Die laatste woorden stemmen tot nadenken. Zouden we niet een herinnering aan die woorden kunnen horen als in de Kerstnacht de engel zegt:

“Ik kom jullie goed nieuws brengen dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer.”

De “redder van Israël”: een nieuwe Makkabeeër misschien? Zouden die verwachtingen Jezus misschien begeleid hebben, toen hij met zijn leerlingen de weg aflegde van Galilea naar Jeruzalem? Speelden er herinneringen aan Judas de Makkabeeër mee bij zijn intocht in Jeruzalem en bij zijn optreden in de tempel? En zou Pilatus die herinneringen ook gekend hebben toen hij Jezus vroeg “of hij de koning van de Joden was?”

Als afsluiting van het levensverhaal van Judas de Makkabeeër wordt gezegd:

“Het merendeel van wat Judas heeft gezegd en gedaan is niet opgeschreven: zijn veldslagen, de manmoedige daden die hij heeft verricht en alles wat verder van zijn grootheid getuigt – het is te veel om op te noemen.”

Dat lijkt erg veel op de manier waarop Johannes zijn Evangelie besluit:

“Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.”

Van beide zinnen geldt wellicht dat het normale stijlfiguren zijn; de schrijvers verontschuldigen zich dat ze niet alles uitputtend beschreven hebben en dat ze zich hebben moeten beperken tot een samenvatting. Toch kunnen we in de woorden aan het einde van het Johannesevangelie nog iets anders lezen: dat het leven van Jezus zich voltrekt over de grenzen van plaatsen en tijden heen, door alle eeuwen heen, tot aan alle uithoeken van de aarde. Het werk van zijn Geest is niet in woorden en boeken te vatten; die boeken zouden nooit geschreven kunnen worden.

Het verhaal van Jezus is te veelomvattend voor een boek omdat ook onze eigen verhalen daar deel van uitmaken. Van Judas de Makkabeeër en Jezus beiden kun je zeggen dat ze redders zijn, maar dat woord heeft een exclusieve betekenis als het verwijst naar Hem die in ons midden is en ons bezielt.

ds. Douwe Boelens

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Taizé-ontmoeting

Taizé-ontmoeting: 11 november in de Museumkerk