28 juni 2017

De grote zomer

Voor veel mensen van onze generatie is de zomer vooral de periode om op vakantie te gaan.
Het is tamelijk gemakkelijk geworden om bij reisorganisaties en vliegmaatschappij- en reizen te boeken; die zijn in allerlei prijsklassen beschikbaar, voor vrijwel iedere portemonnee een passende bestemming. Zomer betekent: vakantie, betekent: reizen, betekent: ontspanning.
Die combinatie is in vroegere tijden niet vanzelfsprekend geweest.

In de Bijbel zijn er vaak mensen onderweg; het onderwerp van reizen en trekken is eigenlijk nooit ver weg in de Bijbelse geschiedenis. Mensen zijn er wel vaak op reis, maar eigenlijk nooit voor hun plezier. Ze reizen om zich in een ander land te vestigen, om aan een hongersnood of aan hun vijanden te ontkomen, om een bezoek aan de tempel of aan een belangrijke persoon te brengen, om zending te bedrijven, noem maar op – maar ze zijn nooit zomaar voor ontspanning op reis.

Reizen in de Bijbel moet over het algemeen erg gevaarlijk geweest zijn! Waar kon je naartoe bij ziekte of ongeval? Waar vandaan zou je je hulp moeten verwachten? Op reis kon je overvallen worden door rovers en door roofdieren. Je moest de weg zien te vinden door vaak moeilijk begaanbare streken. Het is geen wonder dat de zendelingen meestal met z’n tweeën op reis gingen: ze hadden elkaar nodig om
elkaar bij te staan bij gevaar.

Een zeereis, dat was nog weer een ander verhaal. In Bijbelse tijden ging je niet voor je plezier de zee op! Iemand die Psalm 107 gelezen heeft, zal het wel uit zijn hoofd laten om voor zijn plezier aan boord van een zeeschip te gaan.

Tegenover de zomer stond men in Bijbelse tijden ook anders dan wij. Eigenlijk kende men maar twee seizoenen: zomer en winter. Kenmerkend voor het onderscheid was de regenval: de winter was de regentijd, die begon met de ‘vroege regens’ en eindigde met de ‘late regens’. De zomer was het seizoen van de warmte en de droogte.
Om deze reden was de winter, het natte seizoen, voor landbouwers de tijd om te ploegen en te zaaien. De zomer, het droge seizoen dat ongeveer van april tot en met oktober duurde, was de tijd om te oogsten.
Als het in Bijbelse wijsheidsteksten over de zomer gaat, is het meestal in de context van werk dat dan gedaan moet worden, van de oogst die op tijd binnengehaald moet worden. Spreuken 6 roept de toehoorders op:

“Luilak, kijk eens naar de mieren. Kijk goed naar wat ze doen, en leer daarvan. Mieren hebben geen baas of leider, niemand zegt ze wat ze moeten doen. Toch verzamelen ze in de zomer hun eten. Ze zorgen voor een goede voorraad voor de winter. Hoe lang blijf jij nog liggen, luilak? Wanneer kom je uit je bed? Je zegt steeds: ‘Nog heel even! Ik wil nog even mijn ogen dicht houden, ik wil nog even blijven liggen.’ Maar pas op! Er komt een dag dat je niets meer te eten hebt. Dan zul je plotseling arm zijn.” (Bijbel in Gewone Taal)

Nee, dat zijn geen teksten om mensen in de zomer mee op vakantie te sturen. Toch is later, in de nabijbelse tijd, de zomer het beeld van de gelukzalige tijd geworden, de periode van het jaar om van het leven te genieten! Misschien kunnen we die gedachte al een beetje lezen in de ‘gelijkenis van de vijgenboom’ in Matteüs, Marcus en Lucas:

“Elk jaar zie je nieuwe bladeren aan zijn takken  komen. Dan weet je dat het snel zomer wordt.
Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb.”

In die tekst is al enigszins te bespeuren dat de zomer zal aanbreken, waarin de mens beloond zal worden voor zijn/haar inspanningen, de zomer om zich te ontspannen en tot rust te komen. En daar hebben we dan weer Lied 747 aan te danken:

“Eens komt de grote zomer
waarin zich ’t hart verblijdt.
God zal op aarde komen
met groene eeuwigheid.
De hemel en de aarde
wordt stralende en puur.
God zal zich openbaren
in heel zijn creatuur.”

Dan mag het werk echt opzij gelegd worden!

ds. Douwe Boelens

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Taizé-ontmoeting

Taizé-ontmoeting: 11 november in de Museumkerk