27 februari 2017

De drie ringen

De Duitse schrijver Gotthold Ephraim Lessing (1729 – 1781) heeft ooit een toneelstuk geschreven, waarin hij zijn gedachten over godsdienst probeerde uit te leggen. Het stuk is kenmerkend
voor de periode van de Verlichting waarin Lessing leefde, maar het verhaal verdient zeker om ook in onze tijd nog doorverteld te worden.

Het toneelstuk heet “Nathan de Wijze” en het speelt zich af in de 12de eeuw, de tijd van de kruistochten, in Jeruzalem. In die tijd zou er in Jeruzalem een Saraceens vorst, ene Saladin geweest zijn. Die laat een zeer geliefde en rijke Joodse koopman, Nathan de Wijze, bij zich komen. Saladin vraagt aan Nathan, welke godsdienst en welke Wet de meeste indruk op hem hebben gemaakt.
Nathan zegt: “Sultan, ik ben een Jood!” De Sultan zegt: “En ik ben een moslim. De christen staat tussen ons in. Eén van de drie moet de ware zijn.”

Dan begint Nathan een parabel te vertellen: de “parabel van de drie ringen”.
Ooit leefde er in het verre oosten een man met een ring die van onschatbare waarde was. De ring bevatte een prachtige opaal, maar bovendien maakte de ring degene die hem droeg geliefd bij alle mensen die hij ontmoette. De man deed zijn ring nooit af en legde schriftelijk vast dat de ring na zijn dood altijd van vader op zoon doorgegeven moest worden aan de meest geliefde zoon, onafhankelijk van diens leeftijd en positie. Het bezit van de ring zou die bepaalde zoon tot heer en hoofd van het huis maken.

Zo werd deze ring van generatie op generatie doorgegeven, maar op een bepaald moment is hij in het bezit van een vader die drie zoons heeft, van wie hij gelijkelijk houdt. Aan wie moet deze vader zijn ringdoorgeven? Hij besluit om een goudsmid te laten roepen, die twee exacte kopieën van de ring moet maken. Dat lukt zo goed, dat deze man zelf de kopieën niet meer kan onderscheiden van het origineel.
Hij laat zijn zoons één voor één bij zich komen, geeft hun zijn zegen en geeft hun een ring als ware het de enige. Vervolgens overlijdt deze vader.
Na zijn dood menen alle drie de zoons dat zij de erfgenaam van hun vader zijn en dat ze recht hebben om hoofd en heer van het huis te worden. Ze komen er niet uit, want ze hebben elk een ring en ze kunnen niet vaststellen welke de ware is.

Zo komt hun zaak voor de rechter. Ze zweren alle drie dat ze hun ring rechtstreeks van hun vader gekregen hebben, en daarin hebben ze all drie gelijk.
De rechter kent het gegeven dat de ring de bezitter ervan geliefd maakt bij God en mensen, en vraagt hun dus van wie ze het meest houden. De broers kunnen hier helaas geen antwoord op geven.
Dan weet de rechter niets anders te bedenken, dan dat ze de vraag onbeslist laten. Ze moeten dan maar alle drie hun best doen om met oprechte liefde te leven zonder elkaar te benadelen. Zo moeten ze het bijzondere vermogen van de ring in de praktijk brengen. Ze moeten dat doen met verdraagzaamheid, geduld, mededogen, in toewijding aan God en aan de mensheid.
Tot slot zegt de rechter dat als de vermogens van de ring duidelijk zullen zijn geworden in de kinderen van hun kinderen, dat ze dan over duizend jaar terug voor de rechtbank kunnen verschijnen en dat dan een andere rechter de zaak opnieuw in behandeling zal nemen. “Ga in vrede.”

Deze parabel van Nathan heeft Saladin diep geroerd. Hij heeft Nathan een hand gegeven en tegen hem gezegd dat die ‘duizend jaren’ nog niet voorbij zijn. Hij, Saladin, wil de plaats van die toekomstige rechter niet innemen.
Ze nemen ontroerd afscheid van elkaar: “Ga in vrede en wees voor altijd mijn vriend!”

ds. Douwe Boelens

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Taizé-ontmoeting

Taizé-ontmoeting: 11 november in de Museumkerk