28 oktober 2015

Lichamelijkheid

In de gemeente van de Protestantse Kerk Brussel dachten we onlangs na over ‘het lichaam’ als thema in ons geloof.

Vaak zijn we geneigd om te denken dat het in de kerk gaat om ‘het geestelijke’. Die opvatting gaat dan vaak gepaard met gêne rond lichamelijkheid i.c. met seksualiteit. Maar juist in de modernere publicaties wordt gewezen op het lichamelijke aspect van de verhalen in de Bijbel.

In de centrale verhalen van de Bijbel is het lichaam van mensen de plek waar het lijden gevoeld wordt: honger en dorst, kou, ziekte en onderdrukking. Het lichaam is ook de plek waar de verlossing die in God of Jezus manifest wordt: onderdrukten worden bevrijd (Exodus), en hongerigen gevoed (met vijf broden en twee vissen). De opstanding van Jezus die wij belijden, wordt in de bijbel uitdrukkelijk als lichamelijk voorgesteld. Want wanneer er sprake zou zijn van een ‘geestverschijning’, zou dat grote angst opleveren. (Lucas 24:37).

De overwinning van de dood en tegelijkertijd van het regime dat een dodelijke terreur uitoefent, zou dan nog steeds een fysiek feit zijn. Maar in het tasten van Thomas worden we geconfronteerd met de wonden van deze geschondene die tegen alle verwachtingen in toch met lichaam en ziel opstaat. In het Genesisverhaal wordt het bestaan van de mens Adam ook in eerste instantie lichamelijk gedacht: de mens is uit stof gevormd (Genesis 2:7). Maar direct daarna wordt hem de levensadem ingeblazen.

Het intrigerende is dat die levensadem onmiddellijk doet denken aan de Geest van God: de ‘ruach’. In het Hebreeuws betekent Geest ook adem. Breder gezien: alles wat wij associëren met het geestelijke, heeft in de Bijbelse begrippen een lichamelijke basis. De geest, de adem, voel je in je longen; de ziel (nèfesj) duidt op het levende zijn van de mens die uit leem geboetseerd is en die een stofwisseling met zijn omgeving aangaat. Een ‘ba’al nèfesj’, een kwade ziel, duidt bijvoorbeeld op gulzigheid.

Het woord ‘lev’ dat we kennen als een begrip dat een positieve krachtige mentaliteit aanduidt, zoals bijvoorbeeld ‘moedig zijn’, betekent ook ‘hart’ en wordt daarmee diep in de lichamelijke existentie van de mens geaard. De tegenstelling lichaam en ziel als een dubbele duiding van de mensen met een binnenkant (ziel) en een buitenkant (lichaam) werkt in de Bijbel niet zo.
Die tegenstelling hoort eerder bij het Griekse denken, niet bij het Joodse.

In het nieuwe testament lijkt die tegenstelling vooral in de brieven van Paulus toch weer wel op de voorgrond te komen. Maar op de keper beschouwd ligt dat wel even anders. Paulus maakt een tegenstelling tussen de ‘geest’ en het ‘vlees’ (sarx). Het begrip ‘vlees’ is te begrijpen als ‘het lichamelijke’ (soma). Paulus schrijft in het Grieks en gebruikt Griekse begrippen waarin een Griekse denkwereld meekomt, maar hij denkt in feite Joods. Dat maakt dat er ook in het denken van Paulus een belangrijke nuance zit, die we niet mogen veronachtzamen.
Zowel ‘soma’ als ‘sarx’ – lichaam en vlees, dus – zijn voor Paulus de uitdrukking van de aardse mens. Dat is de mens die leeft onder het beslag van verleiding, van de zonde, het ontoereikende, en die op deze manier leeft onder het regime van de dood. Daar tegenover staat de belofte van de hemel. Paulus maakt zo niet zozeer een begrippenpaar van lichaam en ziel, als wel het begrippenpaar van het aardse of stoffelijke tegenover de hemel of de Geest. De mens kan zich geheel en al door de hemel opgenomen voelen.

Om wat nader kennis te maken met het denken van Paulus hebben we samen het vijftiende hoofdstuk van zijn eerste brief aan de Korintiërs gelezen. Daarin was o.a. het volgende vers opmerkelijk:

“Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.” (1 Korintiërs 15:44).

Een geestelijk lichaam: wat roept dat bij ons aan associaties op? We dachten aan de ascese, aan het martelaar zijn, aan het met lichaam en ziel getuigen zij van God, die mensen juist ook in het concrete fysieke bestaan bevrijdt.
Tijdens de wijkavonden hebben we telkens bijzondere gesprekken gehad, die steeds een andere wending namen.
De lichamelijkheid als basisgegeven van ons bestaan bleek nog zoveel meer associaties op te roepen, dat geen enkele avond te vergelijken was met de volgende of voorgaande.
Gesprekken werden soms ontroerend persoonlijk en deelnemers maakten zich heel kwetsbaar. Een belangrijke bijdrage was er ook van iemand die er fysiek niet bij kon zijn. Want bij de voorbereiding heb ik met veel plezier gebruik gemaakt van het boek dat ik van die persoon mocht lenen:

“Lichaam en ziel: een moeizame relatie – antropologische verkenningen bij de confrontatie tussen ‘Jeruzalem’ en ‘Athene’” (Gorinchem, 2014), geschreven door Prof. Rudolf Boon.

Met dank aan allen die aan de avonden een steentje hebben bijgedragen,

Ds. Anne Kooi

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Kerkkriebels 2017

Open vensters