14 februari 2012

Een gesprek met ds. Anne Kooi

door Marina Rahusen en Annet Sinnema

ds. Anne Kooi

‘Ik ben, als oudste van een gezin met drie kinderen, geboren in Amsterdam-Nieuw West. Mijn vader was een boerenzoon, afkomstig uit de grensstreek tussen Friesland en Groningen. Aangezien hij goed kon leren, verliet hij na de middelbare school het platteland en trok naar Amsterdam om wiskunde te gaan studeren. Daar leerde hij mijn moeder kennen, die ook – vanuit het Gooi – naar Amsterdam gekomen was voor een studie aan de universiteit.
Mijn ouders waren beiden gereformeerd, dus ook ik ben in die traditie grootgebracht. Ik vond het leuk om naar de kerk te gaan, ook ’s avonds. Ik was wel een vroom meisje, denk ik. Ik hield van zingen en van verstilling. Ik herinner me dat er ook een vanzelfsprekende verbinding bestond tussen school en geloof; op school kwam je gemakkelijk in aanraking met het geloof.’

Vragen? Geen vragen!
‘Mijn band met de kerk veranderde toen ik een jaar of veertien was. Er werd in die tijd – de zestiger jaren – over van alles en nog wat gediscussieerd. Gaandeweg realiseerde ik me, dat in de kerk sommige vragen niet mochten worden gesteld – bijvoorbeeld die naar het waarheidsgehalte van de wonderverhalen in de Bijbel – , terwijl ik in mijn ontwikkeling als scholier juist leerde om wel vragen te stellen. Ik werd geboeid door de tegenstelling tussen wetenschap en geloof. Tegelijkertijd geraakte ik daardoor in een spagaat die, in een tijd waarin kerk en geloof nog sterk aan elkaar gekoppeld waren, bijna onvermijdelijk leidde tot een afstand tot het geloof. Ik begon Bijbelteksten te begrijpen, maar kon er niet veel mee. In het maken van een vertaalslag naar de leefwereld van jongeren werd toen nog niet zoveel geïnvesteerd.
Met het geloof had ik op den duur niks meer. Met de natuur des te meer. Vandaar dat ik na de middelbare school een opleiding ben gaan volgen tot botanisch analist. Daar leerde ik onder andere veel over de evolutie, een fascinatie die tot op de dag van vandaag is gebleven. Het leverde echter ook dilemma’s op: ik vroeg me af hoe God en Jezus inpasbaar waren in dat nieuwe wereldbeeld. Op dat moment had ik geen idee dat theologie ooit nog iets voor me zou gaan betekenen.’

Mensen, liefde en compassie
‘Na verloop van tijd begon ik me vragen te stellen als: wie ben ik nu eigenlijk, en wie zou ik willen zijn. Wat is de drijfveer in mijn leven?
Na een verbroken relatie kwam ik in contact met een Emmausgroep in Eindhoven. De Emmausbeweging, in 1949 opgericht in Parijs door Abbé Pierre, stelde zich ten doel de nood van daklozen te lenigen. Abbé Pierre nam enkele daklozen op in zijn eigen huis en zo ontstond er een gemeenschap. Om in hun onderhoud te voorzien begonnen de leden van de groep een handel in tweedehands spullen. Het idee van deze woonwerkgemeenschappen kreeg navolging in heel Frankrijk en later ook in Nederland.
In die groep ben ik pas echt volwassen geworden. Door het leven met mensen aan de zelfkant van de samenleving werd ik geconfronteerd met vragen over lijden en armoede in het leven. Ook politiek speelde er van alles, het was de tijd van de grote kernwapendemonstraties. Ik kwam in contact met het Eindhovense Vredesbureau, het IKV en ook met studentengroepen die op een heel andere manier met de Bijbel omgingen dan ik tot dan toe gewend was. Het draaide om mensen, om liefde en compassie. Dat sprak me zeer aan. Ik begreep dat de intellectuele dilemma’s waar ik me tot dan toe mee bezig had gehouden niet belangrijk waren.
In de jaren tachtig kwam er veel aandacht voor macrobiotiek en stromingen rondom goeroes als Bhagwan. Zelf had ik daar niets mee. Ik kreeg er moeite mee dat mensen met veel bombarie uit de kerk stapten omdat ze haar boodschap een vorm van verlakkerij vonden, om vervolgens kritiekloos allerlei oosterse filosofieën – inclusief de reïncarnatiegedachte – te omarmen. Ik ging Miskotte lezen en Barth, en kwam er achter dat ook theologen al veel eerder kritisch nagedacht hadden over vraagstukken rond religie en cultuur, God en humaniteit, recht en ontferming. En zo keerde ik terug naar Amsterdam om theologie te gaan studeren. Met gretigheid. Omdat de theologische faculteit in Amsterdam gelieerd was aan de Hervormde Kerk ben ik hervormd geworden. Ik ben dus opgegroeid in de Gereformeerde Kerk, maar als theoloog en dominee gevormd in de Hervormde Kerk.’

God en mensen
‘Geloof’ op zich betekent niet zo veel voor mij, ik doe het gewoon. Omdat Jezus en God wèl iets voor me betekenen. Ik raak er niet over uitgedacht en ik blijf er van onder de indruk. In de theologiestudie word je erin ondergedompeld. Ik ben van binnenuit met deze dingen bezig, en oefen vanuit die instelling ook het werk als dominee uit.
We zijn samen op weg, samen op zoek naar het antwoord op de vraag naar wat God voor elk van ons betekent. Daarin zijn we gelijkwaardig.
Ik heb in de loop der jaren wel een aantal besluiten genomen. Eén daarvan is dat ik afstand heb genomen van bepaalde Godsbeelden. Als iemand lijdt onder een bepaald beeld dat hij van God heeft, kun je zeggen dat dat niet nodig is. Vragen naar de reden waarom God bepaalde dingen doet – ziekte brengt of onrecht laat bestaan – kunnen tot een geloofscrisis leiden en vervolgens tot totale onzekerheid. Je kunt zeggen dat God niet de oorzaak is van jouw lijden. Voor mij is Hij degene die in het lijden naast je staat. JHWH: Ik zal er zijn voor jou. Ik denk dat zo’n houding oplucht en iets toevoegt.
De allesomvattende vraag wordt samengevat in deze: waar was God in Auschwitz? Waar is God in deze wereld, die geteisterd wordt door honger en armoede? Als we denken dat dàt de wens van God is, zijn we nog niet veel verder gekomen. Er zijn andere antwoorden nodig, antwoorden die appelleren aan ons aandeel in dit alles. Dan keren de waaromvragen terug naar de mens.
Ik heb altijd gezocht naar het spanningsveld tussen theologie en maatschappij, zowel in het arbeids- als in het gevangenispastoraat. En dat zal altijd wel zo blijven.’

Zoeken naar synthese
‘Zoals gezegd ben ik gaan studeren in een tijd dat er veel antikerkelijk denken was. Ik ben geboeid geraakt door het antiverhaal van Jezus. Vandaaruit kwam ik de kerk weer tegen als een concrete poging van mensen om, met vallen en opstaan, het geloof in het spoor van Jezus gestalte te geven. Met de bedoeling om, zo doende en vanuit zichzelf, een levenshouding te vinden die gerelateerd is aan Jezus of God.
In de gevangenis heb ik veel evangelische gelovigen ontmoet. Ook in hun leven ging het, ondanks hun geloof, steeds mis. Zij leven soms vanuit het gevoel: hier sta ik. Heer, kom mijn ongeloof te hulp. Vanuit wanhoop, omdat het allemaal niet lukt. Het feit dat ze geloven is boven iedere twijfel verheven maar levert ook een gevoel van schuld op.
Hoewel ik niet in een bepaalde richting denk, voel ik me aangesproken door de dialectische theologie van Barth, Ter Schegget en Miskotte. Het is mogelijk vanuit tegenstellingen te groeien naar een synthese, verzoening op een niveau dat boven tegenstellingen uitstijgt. Op die manier kunnen ook het theïsme en het atheïsme elkaar vinden, bijvoorbeeld in een ideaalbeeld met betrekking tot de maatschappij. De een zal vinden dat die maatschappij principieel vanuit God naar ons toe moet komen, de ander vindt het de opdracht aan mensen om dat te realiseren.’

Van het arbeidspastoraat naar de gevangenis
‘Na mijn studie ben ik bij de IKON terecht gekomen. Ik was, als theoloog, werkzaam op de redactie van een nieuwsprogramma dat op de radio werd uitgezonden. We maakten bijvoorbeeld reportages over Congo, de genocide in Rwanda en dergelijke. De theologische visie van de IKON was te omschrijven als: vanuit een betrokkenheid met de wereld de ander – de hongerige, de onderdrukte – een stem geven. Ik heb er een boeiende tijd gehad, hoewel ik er meer ideologische correctheid dan geloof vond.
Vervolgens ging ik in het arbeidspastoraat aan de slag. Ik ontmoette mensen die zeer ingrijpende dingen meemaakten, bijvoorbeeld ten gevolge van de uitbraak van mond- en klauwzeer op veebedrijven of het faillissement van fabrieken. Mensen waren soms zeer goed in staat te verwoorden wat het geloof voor hen betekende in deze crises. Anderen raakten eerder verbitterd. Het werken met deze mensen heeft mijn geloof verdiept. Op een gegeven moment werd het arbeidspastoraat geschrapt. Daarmee verdween ook een vorm van kerkelijke presentie in de samenleving. Ook ik moest op zoek naar ander werk. Ik koos ervoor om in het pastoraat werkzaam te blijven, en kwam zo in de gevangenis terecht.’

Terug naar de kerk
‘Als predikant-directeur van het Diaconaal Centrum voor het Gevangenispastoraat in Haarlem heb ik me er onder andere voor ingezet dat er voor gevangenen, wanneer ze eenmaal vrijgekomen zijn, toch een zekere continuïteit gewaarborgd is voor wat betreft de pastorale zorg; vrijwilligers die ze binnen de muren hebben leren kennen, kunnen ze nu ook na hun vrijlating contacteren. Ik ben er trots op dat we dat voor elkaar gekregen hebben.
Het is goed om, na de bijna zeven jaar die ik er heb gewerkt, weer een andere weg in te slaan. Er is veel werk verzet, maar nu is het klaar. Anderen kunnen ermee verder. Ik wil niet in een zekere routine glijden. Ik merkte dat ik toe was aan iets anders. Aan een nieuwe uitdaging.
Mijn eindscriptie was gewijd aan het theologisch nadenken over de gemeente. Het is uiteindelijk de kerk die zendt. Tot haar wil ik terugkeren. Daarmee is voor mij de cirkel rond.’

De dominee en de generaties
‘De jongeren die ik in de gevangenis tegenkwam, waren niet jonger dan 17 of 18 jaar. Ik kan goed met ze communiceren, maar loop wel achter op hun belevingswereld; Ik heb geen tijd gehad om me te verdiepen in mp3-spelers en andere ontwikkelingen op dat gebied. Ik herken me wel in hun vragen: hoe vind ik een plek in dit leven? Hoe denk ik over ethische vragen, de balans tussen goed en kwaad, geven en nemen, openbaar en privé?
De twintigers noemt men tegenwoordig de ik-generatie. Dat is niet nieuw. Ze hebben dezelfde vragen als toen ik zelf twintig was.
Ook met ouderen kan ik het goed vinden. Met hen voel ik me vertrouwd. Lastiger vind ik de generatie die vlakbij me staat, die van de babyboomers. Ik heb er een haat-liefderelatie mee, associeer haar met de rellen van de nozems van vroeger. De politiemacht, de agressie boezemden me destijds angst in. Het was de generatie die ons opriep bewuste keuzes te maken. Ik heb dat toen zeer serieus genomen. Later heb ik gemerkt dat veel babyboomers net zo hard wegliepen voor principiële en radicale keuzes als de generatie waarop ze zoveel kritiek hadden.
Het lijkt me fantastisch om met de jongeren van deze kerk, bijvoorbeeld naar aanleiding van betekenisvolle films die we samen bekijken, te praten over voor hen al dan niet aansprekende visies op het leven. En zeker ook over het geloof. Ik hoop dat ze me deelgenoot willen maken van hun leven. En dat het gesprek over de Bijbel op gang zal komen. Dat ze in de Bijbel dingen zullen herkennen en die kunnen betrekken op hun eigen leven. De periode die aan volwassenheid voorafgaat – het gaan ervaren van het spanningsveld tussen denken dat je alles kunt en het durven toelaten van twijfel – is spannend. . Ook met betrekking tot het geloof. Want – concreet gezegd – wat moet je nu eigenlijk met een loser die eindigt aan het kruis? Aan de jongere kinderen wil ik verhalen vertellen aan de keukentafel, rondom de enorme theepot – de Moeder aller Theepotten – die ik als afscheidscadeau heb meegekregen uit de gevangenis. Ik hoop dat de kinderen graag komen luisteren naar verhalen, zin hebben in veel thee met koekjes, zelf ook verhalen willen vertellen, en vragen durven stellen. Dat is mijn visioen.’

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Kerkkriebels 2017

Open vensters