16 maart 2012

Job op de keper beschouwd

door ds. Anne Kooi

Het Bijbelboek Job blijft fascineren. Het lijkt wel alsof de betekenis van Job voor mensen persoonlijk steeds anders wordt wanneer ze in andere situaties of in andere fasen in hun leven naar dit verhaal luisteren. Job blijft verassend. Dat geldt voor mijzelf, als ik naga hoe ik in de loop van mijn leven steeds anders nadacht over Job. Het geldt zeker ook voor de mensen waarmee ik in de afgelopen jaren sprak over wat Job binnen hun eigen context voor hen betekende. Ik herinner me hoe een rundveehouder de vergelijking met Job maakte toen hij meemaakte dat zijn bedrijf ‘geruimd’ werd ten tijde van de mond-en-klauwzeer crisis. De aankondiging van de ruiming was voor hem een jobstijding. Een jobstijding is een bericht waarin je wordt aangezegd dat er iets verschrikkelijks is gebeurd of zal gebeuren. Dat kan zijn dat je te horen krijgt dat een geliefde overleden is. Of dat je huis is afgebrand. Of dat je ontslagen bent. Of dat alles waar je je leven lang voor gespaard hebt, verloren is gegaan. Dit soort rampen associëren we met Job. Want Job, weten we, is de man die het lijden in zijn persoonlijke bestaan tot in de meest extreme vorm heeft meegemaakt.

Gelijkenis
Het boek Job is eigenlijk een gelijkenis. Het verhaal van Job is waar en niet waar. Zijn verhaal is aan de ene kant een vertelling: een verhaal waarin we ons een situatie voorstellen waaraan we ons kunnen meten: ‘Stel, er was eens een vroom mens: een heel vroom mens….’ Wat kun je dan deze mens aandoen voor hij of zij het opgeeft? Waar ligt de grens van het lijden? Wanneer komt het moment waarop zo iemand God vervloekt? Job hoort hoe zijn vrouw op het grootste dieptepunt van zijn leven tegen hem zegt: ‘Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf!’ (Job 2:9)

Vroom
Het verhaal van Job is een vertelling waarin als het ware getast wordt langs de grenzen van het menselijke bestaan. In dit verhaal wordt Jobs vroomheid tot bijna onmenselijke proporties uitvergroot. Hij is zo vroom dat hij zelfs om vergeving bidt voor de zonden die zijn kinderen misschien zouden hebben kunnen begaan. Er wordt dan beweerd dat het voor Job wel heel makkelijk is om zo vroom te zijn. Aan het begin van het verhaal is Job een zeer welvarende man, een man ook die zichzelf als zeer geslaagd in het leven kan beschouwen. Dan daagt Satan God uit: ‘Laten we eens kijken wat er van zijn trouw aan U, God, overblijft als hij alles verliest’. (Job 1:9 e.v.)

Verlies
Dan wordt Job in de ellende gestort. Zijn vee sterft, zijn bezittingen worden geroofd, zijn kinderen sterven allemaal tegelijk wanneer het huis waarin zij bij elkaar zijn, instort. Alles is weg: dan horen we Job die bijzondere zin uitspreken: ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, geprezen zij de naam van de Heer’. (1:21). En nog is het niet genoeg. Satan krijgt een tweede ronde: Job verliest ook zijn gezondheid. En hij zit uiteindelijk letterlijk op de puinhopen van zijn bestaan en heeft niets anders meer dan een potscherf om de zweren op zijn lichaam te bestrijden. En dan, zo staat er: ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord. Hij maakte God geen enkele verwijt. Hij zegt: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan niet het kwade aanvaarden?’ (2:10). Het bijzondere is, dat juist deze woorden mij een keer aangegeven zijn door iemand die in de gevangenis was terecht gekomen.

Schuldig

Ilja Repin, 'Job en zijn vrienden'

Wanneer Job zo down en out is, wordt hij opgezocht door drie vrienden. En later nog door een vierde. Al deze vrienden doen eigenlijk niets anders dan Job voorhouden dat hij het er toch wel zelf naar gemaakt zal hebben. Het boek Job wordt voor het grootste gedeelte gevuld met de gesprekken van Job met deze vier mannen. De teneur is: ‘Je zult toch wel ergens schuldig aan zijn’. Dit moet Gods straf zijn. Eigenlijk wordt oorzaak en gevolg omgedraaid, nl.: als je gestraft wordt, dan moet je wel ergens schuldig aan zijn. Job protesteert heftig: dat is niet zo! Dit is niet zijn eigen schuld! Zijn vrienden gedragen zich als mensen die vanaf de zijlijn een gemakzuchtige mening hebben. Zo lijken ze op – misschien wel – een moralistische dominee die een hulpeloos slachtoffer nog eens verder de grond in praat door hem zogenaamd te confronteren met zijn eigen verantwoordelijkheid. De redenering is dan opnieuw: ‘Als je dit soort lijden ondervindt, dan zul je toch ergens wel iets verkeerd hebben gedaan’. De moeite die Job heeft met de gesprekken met zijn vrienden is dat hun wereldbeeld ongeschokt blijft. Hoe dramatisch het lijden van Job ook is, en hoe welwillend en meelevend zijn vrienden misschien naar hem toe ook zijn, ze zijn niet echt van hun stuk gebracht. Ze houden hun ijzeren logica overeind. Als dit je overkomt, dan is het hoe dan ook: ‘Eigen schuld, dikke bult’. Dat is het moralisme dat het recht zo ombuigt dat het – kromgetrokken of niet – weer past in een logisch schema. Dat zegt iets over de wereld waarin zij leven, en dat zegt iets over de manier waarop zij naar God kijken. En zo denken zij bij wijze van spreken dat zij God beter doorgronden dan God zelf. Het lijkt me dat de echte test van Job ligt in deze discussies. Job houdt daarin ondanks alles vast aan zijn God. En hij houdt overeind dat hij werkelijk niet weet waaraan hij deze ellende te danken heeft. Liever waarachtig blijven, dan alleen maar om de lieve vrede schuld te bekennen.
Hij houdt overeind dat God niet onrechtvaardig is! Maar daarin is hij tegelijkertijd verward en wanhopig, hij pleit voor zichzelf. Hij snapt er niks van – van wat er gebeurd is, hij is kwaad op God. Hij is God kwijt.

Aanvaarden
Hoeveel narigheid kan een mens hebben? Mensen kunnen soms de verschrikkelijke dingen die hen overkomen heel vroom en gelovig aanvaarden: een groot ongeluk, een dodelijke ziekte. Maar er wil dan wel eens een verschil zijn tussen de manier waarop iemand zijn lot in eerste instantie nederig aanvaardt, en het gevecht dan later dan toch op gang komt. Het aanvaarden wordt anders als de werkelijkheid goed doordringt. Als het besef komt dat dit dus echt het einde van je bestaan inluidt. Blijf je dan nog zonder vrees en vol vertrouwen? Je zou dan met Job kunnen vragen: als lijden een thema moet zijn, is er dan ergens enige zin te ontdekken aan het lijden op zich? Job zoekt niet naar een verklaring. Dat weigert hij. Jobs bedoeling tijdens de gesprekken met zijn vrienden is dat hij duidelijk wil maken dat het niet zo is dat wanneer je lijdt, dat je dan gemakzuchtig mag concluderen dat God daar dan achter zit. In die zin is Job ook opstandig, maar hij is een loyale rebel. Job is voor zijn vrienden misschien een dwarsligger, maar juist zo is hij ook een bondgenoot – ondanks alles – van God. Hij wil niet dat er op een quasi vrome manier kwaadgesproken wordt van God.

Contact
Gods antwoord ‘uit de storm’ aan het einde van het boek, is – zou je kunnen zeggen – voor een stuk ook voor dovemansoren gesproken. Daarin krijgt misschien Satan zijn antwoord.
De vrienden van Job worden zeker niet aangesproken. Als u deze hoofdstukken nog eens naleest zult u zien dat er hele beschrijvingen zijn van de natuur. Niemand wordt daarin specifiek aangesproken, en ze lijken er niet meer te zijn. Maar als God begint te antwoorden, wordt Job wel specifiek aangesproken: er ontstaat een gesprek. Na alles wat er in het leven van Job gebeurd is, is het misschien nog niet eens zozeer de inhoud van het gesprek dat van belang is, maar wel dat het contact überhaupt weer bestaat.

Communicatie
God zegt: ‘Sta op Job, wapen je, ik zal je ondervragen, zeg me wat je weet.’ (Job 38: 3). Later zegt Job daarop: ‘Ik leg mijn hand op mijn mond: ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer – tweemaal – en doe er het zwijgen toe’ (Job 40: 3-5). We lezen het een tweede maal: ‘Sta op Job, wapen je. Ik zal je ondervragen, zeg me wat je weet. Wil je mijn recht loochenen, wil je mij schuldig verklaren en zelf vrijuit gaan?’ (Job 40: 6-8). En dan antwoordt Job: ‘Hoe haalde ik het in mijn hoofd om u, God, uit te dagen en u te willen ondervragen. Eerder had ik over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd. Daarom herroep ik mijn woorden en buig mij’ (naar Job 42 2-6).
Geeft Job nu toch opeens toe? Naar mijn indruk is dat niet de essentie van het gesprek tussen God en Job. Essentieel is dat hij eindelijk door God rechtstreeks wordt aangesproken. In alle discussies met de vrienden ging het steeds óver God; God zelf kwam daarin en in het lijden van Job, niet meer aan het woord. Maar nu komt de communicatie weer op gang. En als God God is, wordt Job weer een mens!

Gelijkenis
De grote vraag door het Bijbelboek Job heen is, lijkt me, uiteindelijk toch niet de vraag naar het lijden, maar de vraag of een mens in alles wat hij meemaakt het contact met God kan houden. En of hij of zij, zijn of haar liefde voor God kan behouden; of hij of zij de hulp van God wil toelaten, zich wil laten troosten; de goedheid van God kan aanvaarden. Het boek Job is ook in de bedoeling van het boek zelf niet letterlijk waar. Het verhaal van Job is aan de ene kant een gelijkenis; een vertelling als gedachtenexperiment. Aan de andere kant is er daarin weldegelijk een waarheid te ontdekken. Een heel kostbare waarheid die je misschien op een andere manier niet zo gemakkelijk op het spoor komt. Wat kunnen we dan leren van het verhaal van Job? Ik denk dat je zijn geschiedenis kunt karakteriseren met: ‘Vertrouw op God, ook al lijkt alles verloren. Ook in alle ellende en rampspoed. Als alles verloren lijkt, is het niet het menselijke moralisme dat je zal redden. Maar de trouw van God en zijn barmhartigheid die boven alles uitgaat.’ Wat voor ons blijft is ‘Geloof, Hoop en Liefde; deze drie, waarvan de grootste de liefde is’. De liefde die door alles heen gaat, – ook door ongeluk en ziekte en zelfs dood heen. Die liefde gaat ook door afwijzing en schuld heen. Die liefde blijft in alles overeind. Want dat is de liefde van God.

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Kerkkriebels 2017

Open vensters