13 oktober 2012

De kluizenaars van het vroege christendom

door Jan Prillevitz

Jusepe de Ribera, Paulus van Thebe, ca. 1638

Van de derde tot de zesde eeuw trokken duizenden christenen de woestijnen van Egypte, Syrië en Palestina in om vér van de bewoonde wereld een leven van zeer strenge ascese te leiden. Ze kozen ervoor in eenzaamheid te bidden, te mediteren aan de hand van religieuze geschriften en spirituele oefeningen te doen om de begeerten te doden en door concentratie geest en lichaam onder volstrekte discipline te brengen. Met als uiteindelijk doel: door zelfonthechting dichter bij God te komen en uiteindelijk één te worden met Hem.

Wij kennen hen als de woestijnvaders en hun besluit om in afzondering en isolement te gaan leven had twee historische oorzaken. De eerste had meer weg van een vluchtbeweging. De oorspronkelijke christelijke heremieten ontvluchtten in de derde eeuw de centra van het Romeinse Rijk vanwege de uiterst wrede christenvervolgingen onder keizer Diocletianus. Het waren er nog maar weinigen. Ze woonden verspreid over de woestijn in grotten, cellen en in de grond gegraven putten, in vele gevallen zonder een gemeenschappelijke band, levend, zoals Johannes de Doper, van sprinkhanen en wilde honing.

De echte bloeiperiode van de woestijnvaders kwam pas in de vierde eeuw, nadat onder keizer Theodosius het christendom officieel tot staatsgodsdienst was uitgeroepen. Van een opgejaagde sekte werd het in betrekkelijke korte tijd een naar caesaristisch model opgetrokken machtsinstituut, dat ketters en andere andersdenkenden (Arianen) liet vervolgen, progroms tegen heidense tempels organiseerde en zich voor de politieke karretjes van de opeenvolgende keizers liet spannen.

Uit onvrede met deze ontwikkeling zochten beroemde kluizenaars als Antonius en Pachomius met hun duizenden navolgers in de woestijn de spiritualiteit die ze in de verstedelijkte eenheidskerk niet meer vonden. Hun ascese was vooral gericht op het doden van de begeerten naar seks, naar voedsel en drank, naar roem en status.

Antonius was een zeer rijk man die een losbandig leven had geleid en plotseling alle rijkdom opgaf om in de Egyptische woestijn in volkomen isolement te gaan leven, onafgebroken strijdend tegen demonen. Pachomius was een koptische monnik, grondlegger van het zogenaamde cenobitisme, dat wil zeggen de ‘gezamenlijke leefwijze’ van groepen woestijnmonniken in kloosters. Later zou ook Antonius meer contact met medekluizenaars krijgen en voor de gemeenschappelijkheid kiezen. De Syrische kluizenaars daarentegen volhardden in het volstrekt solitaire heremietenbestaan.

Middagduivel
Niet alleen Antonius, vele woestijnvaders waren druk met het afslaan van aanvallen van de demonen: baardige duivels, giftige slangen met een mensenhoofd, verleidelijke vrouwen die in krokodillen veranderden of masturberende apostelen. Vermoedelijk waren al die beelden projecties, en/of toe te schrijven aan chemische reacties in de hersenen, ontstaan door slaapgebrek en extreme vastenperiodes.

De gevaarlijkste demon was de zogenaamde middagduivel, die de kluizenaars probeerde te verleiden tot spirituele matheid en uiteindelijk opgave van hun levenswijze. Vooral als ze alleen leefden raakten de asceten vaak jammerlijk gestrest en vervielen ze tot neerslachtigheid, rusteloosheid en een psychotische afkeer van hun smerige holen en eenzame grotten. Hun gemoedstoestand, die vooral ontstond rond het middaguur, op het heetst van de dag, werd nauwkeurig beschreven in het geschrift Praktikos, of De Monnik, in de vierde eeuw samengesteld door de woestijnvader Evagrius. Hij gebruikt voor de malaise het Griekse woord akèdeia, dat zoiets als ‘onverschilligheid’ of ‘lusteloosheid’ betekent (in het Latijn: acedia; in het Engels bestaat nog steeds het daarvan afgeleide woord accidie, in het Italiaans accidia).

Ik ontleen dit aan het pas verschenen boek Verveling, een boeiende geschiedenis van de hand van de Canadese classicus Peter Toohey (vertaling uit het Engels, uitg. Atlas Contact, 224 blz., € 24,95). Toohey wijst ook op de verzen 5 en 6 van Psalm 91, die in de nieuwe Bijbelvertaling als volgt luiden: ‘De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen, ook de pijl niet die overdag op je afvliegt, noch de pest die rondwaart in het donker, noch de plaag die toeslaat midden op de dag.’ In een hedendaagse Engelse psalmvertaling heet het nog dat je niet bang hoeft te zijn ‘voor een aanval van de middagduivel’.

Melancholie
In latere tijden maakt de acedia zich los van de middagduivel en manifesteert zich onder andere namen: melancholie, taedium vitae (afkeer des levens), nostalgie, apathie, Weltschmerz, ennui, frustratie, nausée (Sartres walging), verveling en uiteindelijk depressie, dat moderne containerbegrip. In de Renaissance komt het lichaam in de plaats van God. Melancholie betekent zwarte gal en dat is een van de vier lichaamssappen die noodzakelijk zijn voor een goede, evenwichtige gezondheid. Wie te veel zwarte gal heeft wordt droefgeestig en neerslachtig. In de moderne fase raakt de acedia gemedicaliseerd en ontstaat ‘een vreemd amalgaam van depressie en twijfel aan de welwillendheid van de werkelijkheid’ (Toohey).

Verveling is de grondstemming van de hedendaagse samenleving, constateert Awee Prins is zijn enkele jaren oude proefschrift over de verveling. De psychiaters en psychotherapeuten hebben het maar druk met de depressies die er uit voortvloeien. De hele moderne amusementsindustrie leeft bij de behoefte van de mens aan prikkels die hem (tijdelijk) verlossen van de alledaagse verveling. Hetzelfde geldt voor drugsgebruik.

Een heel bijzondere vorm van het fenomeen is de dromomanie of ziekelijke reislust. Dromomanie betekent letterlijk: manie voor voortbeweging. Ze treft vooral rijke bejaarden die het zich kunnen veroorloven om vlak voor het afscheid nog gauw even alle wonderen van de planeet te aanschouwen. De ene cruise is nog niet voorbij of de koffers voor de andere staan al klaar. Tenslotte wacht ook hen de verveling van het verzorgingshuis.

Soms komt de middagduivel nog eens uit zijn hok. In een Franse roman las ik het verhaal van een man die verliefd wordt op een veel jongere vrouw, voor wie hij zijn gezin in de steek laat en met wie hij om te beginnen een voetreis door het Zwarte Woud gaat maken. Daar ontmoet hij in een hotel toevallig een oude vriend die weet van zijn scheiding, hem daarover verwijten maakt en de vraag stelt naar het waarom. Het antwoord luidt: ‘Je fus surpris par le diable du midi (Ik werd overvallen door de middagduivel)’.

Voor dit soort excuses hoef je niet op zoek te gaan naar een Franse roman.

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Kerkkriebels 2017

Open vensters