22 maart 2012

Abraham Joshua Heschel (1907-1972)

door Hans Scholten

Abraham Joshua Heschel

Om het Joods Christelijk gesprek op te bouwen werden al in 1962 gesprekskringen opgezet door ds. W. Zuidema. De deelnemers van een nog steeds bestaand groepje hebben onder andere kunnen ‘lernen’ van joodse auteurs. De schrijver die hen in al die jaren het meest heeft aangesproken is een van de belangrijkste Joodse denkers van de 20e eeuw: Abraham Joshua Heschel, waarvan in 2011 de vertaling verscheen van een boek dat Heschel al in 1951 publiceerde: De mens is niet alleen. De ervaring van Gods aanwezigheid. Het vervolg op dit boek God zoekt de mens, een filosofie van het jodendom verscheen in 1955, de Nederlandse vertaling in 1986. In 2002 was er in Antwerpen een tweedaagse conferentie gewijd aan het werk van Heschel; van deze conferentie verschenen de lezingen in boekvorm onder de titel De terugkeer van de mens.
Heschel werd geboren in 1907 in Warschau. Hij stamde uit families van chassidische rabbijnen en werd ook zelf al op jonge leeftijd rabbijn. Als basis voor zijn verdere leven en werken deed hij toen al de kennis op van het traditionele jodendom: uit de boeken, maar vooral ook uit het leven, door zijn omgeving.

Studie
Maar hij stapte die beschermde wereld uit, de academische in en ging studeren in Berlijn. Het werd geen overstap, geen inwisselen van het oude voor iets nieuws, maar een verbreding. Heschel slaagde er voor zichzelf in, in beide werelden thuis te zijn, tegenstellingen te overbruggen en waardevolle dingen te gebruiken en te combineren.
In 1937 koos Martin Buber hem tot zijn opvolger in de leiding van het befaamde Jüdische Lehrhaus te Frankfurt en voor de landelijke organisatie voor joodse bewustwording. Eind 1938 vluchtte hij voor het naziregiem naar de VS. In New York was hij tot zijn dood hoogleraar joodse ethiek en mystiek. Heschel werd één van de voornaamste gesprekspartners voor christenen en liet ook steeds vaker zijn stem horen in zaken, die de hele Amerikaanse samenleving raakten in de zestiger jaren: medische ethiek en politiek, bijvoorbeeld de Vietnamoorlog. Abraham Heschel zette zich in het bijzonder in voor de rechten van de Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten. In 1965 nam hij deel aan de beroemde mars in Montgomery in Alabama met Martin Luther King. Bij de herdenking van Martin Luther King op 8 april 1968 gaf Heschel een lezing uit het Oude Testament.

Over God zoekt de mens
‘Voor filosofen is de idee van het goede de hoogste en meest verheven gedachtegang. Voor het jodendom is de idee van het goede het op één na hoogste. Het goede kan niet bestaan zonder het heilige.’
Heschel staat voor een liberaal-humanistische interpretatie van de joodse religie. God zoekt de mens is het kernboek van deze militante mysticus. Volgens hem

‘raakte de godsdienst niet in verval omdat hij weerlegd werd, maar omdat hij niet ter zake, saai, benauwend en zouteloos werd […] Zodra wij de uiterste vragen vergeten, verliest de godsdienst zijn belang en begint de crisis’ (blz. 21).

De godsdienstfilosofie, waarvan dit boek de neerslag is, heeft zijn inziens

‘de taak om de godsdienstige visie te betrekken op het geheel van de menselijke kennis […] Ze ontstaat, wanneer zowel godsdienst als filosofie beweren ideeën te bieden aangaande de uiteindelijke problemen. Omdat de Griekse godsdienst die niet had, ontstond zij niet in Athene, maar in de ontmoeting tussen jodendom en de Griekse filosofie.’ (blz. 30).

Wat is de wereld voor God?
Wanneer geloof vervangen wordt door leer, aanbidding door regels, liefde door gewoonte, wanneer geloof alleen spreekt namens het gezag en niet met de stem van het mededogen, dan wordt zijn boodschap zinloos. Godsdienst is een antwoord op de diepste vragen van de mens.
Ten diepste wordt de vraag: wat is de werkelijkheid? – wat is de wereld voor de bijbelse mens? – het best beantwoord door een andere vraag: wat is de wereld voor God? Voor de bijbelse mens is het onderwerp van de vraag – de wereld – dan ook te wonderlijk om volledig begrepen te kunnen worden in zijn relatie tot de mens. In zijn uiteindelijke betekenis moet de wereld worden begrepen in relatie tot God, en het antwoord op de vraag is: ‘alles is aan hem onderworpen.’ (blz. 99)
Godsdienst is een antwoord op de diepste vragen van de mens. In ‘God zoekt de mens’ verricht Heschel een speurtocht naar vergeten vragen en bedrijft daarmee filosofie als de kunst van het stellen van de juiste vragen. In zijn filosofie van het jodendom komen deze essentiële vragen aan de orde en de antwoorden die het jodendom daarop te geven heeft. Theologie begint met dogma’s en vertolkt die naar de mens toe. Filosofie vraagt en probeert te begrijpen.
Hij draagt daarmee tevens bij tot een beter begrip van het jodendom als bron van ideeën over de wegen waarlangs deze volgens Heschel God zoekt te benaderen, namelijk via:

Deze drie wegen beantwoorden aan de drie voornaamste aspecten van het jodendom: eredienst, leren en handelen. In feite zijn ze één, want – en dit is de ontdekking van Israël – ‘de God van de natuur is de God van de geschiedenis en de weg, die naar Hem leidt, is het doen van Zijn wil’.
Heschel kiest ervoor de essentiële vragen van het bestaan niet argumenterend maar veeleer meditatief te benaderen. Hij doet dit in korte zinnen en begrijpelijke taal, waardoor voor de lezer ook een directe relatie gelegd wordt met zijn eigen werkelijkheid. De God, die dan te voorschijn komt is de levende God zoals deze ook door de profeten in de Bijbel werd verkondigd.

Over De mens is niet alleen
‘Er klinkt een eeuwigdurende kreet door de wereld: God smeekt de mens. Sommigen schrikken op, anderen blijven doof. Wij worden allemaal gezocht. Een sfeer van verwachting hangt over het leven. Er wordt iets van de mens gevraagd, van alle mensen.’
Maar Heschel´s betekenis strekt zich uit over de hele mensheid. ‘De situatie van de mensheid is mijn grootste zorg’, zei hij eens. ‘Ik houd vol dat de worsteling van de hedendaagse mens de worsteling is van de geestelijk onvolwassen mens.’
De term, die bij Heschel een sleutelplaats inneemt en die meer is dan een concept, een begrip of een dogma – namelijk een oerervaring van het bijbelse geloven -, is ‘personal concern’. Het uiteindelijke is niet zijn, maar betrokkenheid, naastenliefde.
De werkelijkheid is geen vaststaande orde, maar een voortgaand proces, waarin de mens verantwoordelijk is, in vrijheid te reageren op de eisen die het leven stelt. De God van de betrokkenheid staat in een dynamische en wederzijdse verhouding tot zijn schepping. Opgenomen en delend in deze goddelijke zorg kan de mens door’ sympathie’, meegevoel en betrokkenheid zijn egocentrische natuur telkens weer overwinnen en zo zijn ware opdracht vervullen.

Gods tijd
Leven is voor hem datgene wat de mens doet met Gods tijd, met Gods wereld. Daarom vond hij léven volgens de thora belangrijker dan de studie van de Thora.
Een citaat van Heschel uit De mens is niet alleen, blz. 259:

‘Het grootste probleem is niet hoe we ons bestaan moeten voortzetten, maar hoe we het kunnen verheffen. De roep om een leven na de dood is aanmatigend als er geen roep om eeuwig leven vóór onze begrafenis is te horen. Eeuwigheid betekent niet een eeuwige toekomst maar een eeuwigdurende aanwezigheid. Hij heeft in ons het zaad van eeuwig leven geplant. De komende wereld is niet alleen een hiernamaals maar ook een hiernumaals. Ons grootste probleem is niet hoe we verder moeten gaan maar hoe we moeten terugkeren. ‘Hoe kan ik de Heer vergoeden, wat hij voor mij heeft gedaan?’ (Ps. 116: 12). Als het leven een antwoord is, dan is de dood een thuiskomen. ‘Met pijn ziet de Heer de dood van zijn getrouwen’ (Ps. 116:15). Want ons grootste probleem is slechts een echo van Gods zorg: Hoe kan Ik de mens al zijn weldaden jegens Mij vergoeden? ‘Want Gods barmhartigheid duurt voor eeuwig.’ Dit is de zin van het bestaan: Verzoen vrijheid met dienstbetoon, het voorbijgaande met het blijvende, en vervlecht de draden der tijdelijkheid met het weefsel van de eeuwigheid.

Begrijpen en kennen
De diepste wijsheid die de mens kan bereiken is te beseffen dat het zijn bestemming is om anderen bij te staan, dienstbaar te zijn. Wij moeten veroveren om te kunnen overgeven; wij moeten verwerven om weg te kunnen geven; wij moeten triomferen om overweldigd te kunnen worden. De mens moet begrijpen om te kunnen geloven, kennen om te kunnen aanvaarden. Is het streven erop uit om te verkrijgen, de volmaaktheid bestaat in het afstand doen. Dit is zin van de dood: de ultieme toewijding van het zelf aan het goddelijke. De dood die zo wordt begrepen zal niet vervormd worden door het vurige verlangen naar onsterfelijkheid, want deze daad van wegschenken betekent wederkerigheid van de kant van de mens voor Gods geschenk van het leven. Voor de vrome mens is het een voorrecht te sterven.’

Dagtekst

Erediensten

(Alle diensten beginnen om 10.15 uur, tenzij anders aangegeven.)

Agenda

Kerkkriebels 2017

Open vensters